Infarcten, diepveneuze trombose en embolie

Er kunnen verschillende ziektebeelden ontstaan door trombose. Een bloedprop in de slagaderen (arteriële trombose) zorgt ervoor dat het weefsel of het orgaan achter het stolsel niet voldoende of geen zuurstof krijgt. Als dit weefsel ook nog via andere slagaderen zuurstofrijk bloed krijgt, vallen de gevolgen soms mee.

Maar is dit niet het geval en lost het stolsel niet tijdig genoeg op, dan sterft het weefsel achter de trombose af. Dit komt doordat het weefsel geen zuurstof meer krijgt. Artsen spreken dan van een infarct. Voorbeelden van een infarct zijn een hartinfarct en een herseninfarct. 

Hartinfarct

Een hartinfarct ontstaat door een verstopping van één of meer kransslagaderen. Dit zijn de slagaderen die in een krans om het hart heen lopen. Een gedeelte van de hartspier sterft dan af. Na genezing blijft een litteken op de hartspier over.

Herseninfarct

Een herseninfarct ontstaat als een trombose de toevoer van bloed naar de hersenen afsluit. Afhankelijk van de grootte van het stolsel en de plaats van de afsluiting kunnen bij iemand met een herseninfarct verschillende verschijnselen optreden, zoals bewusteloosheid, verlammingen en spraakstoornissen.

Diepveneuze trombose en embolie

Een voorbeeld van een trombose in de aderen (diepveneuze trombose) is een trombosebeen. Vanuit zo’n trombosebeen kan een longembolie ontstaan. Dit gebeurt als een gedeelte van het bloedstolsel in het been losraakt en wordt meegevoerd met de bloedstroom. Dit stolsel loopt dan vervolgens vast in de bloedvaten van de longen. Op dat moment is er sprake van een longembolie. Hierdoor kan er in een deel van de long geen zuurstof worden opgenomen, kan er longweefsel afsterven en kan het hart moeite krijgen om voldoende bloed van de longslagader naar de linkerkamer van het hart te pompen. De ernst van een longembolie hangt af van de grootte van het vastgelopen stolsel. Veel mensen weten niet dat een longembolie levensbedreigend kan zijn. Een ander misverstand is dat sommige mensen denken dat een stolsel in de longvaten kan doorschieten naar de hersenen of het hart. Dit is gezien de bloedsomloop niet mogelijk. Een longembolie kan dus niet uitmonden in een hartinfarct of herseninfarct.