INR: Therapeutisch gebied, meetmethode en controlefrequentie

De mate van antistolling bij gebruik van acenocoumarol en fenprocoumon wordt gecontroleerd door middel van de INR.

INR

INR is de afkorting van International Normalized Ratio en is een afgeleide van de ProtrombineTijd. Het is een internationale gestandaardiseerde maat, waarvan de waarden in principe in elk land, bij elke patiënt en in elk laboratorium te vergelijken zijn.

De INR is bij “normale” personen per definitie 1,0. De INR is alleen verhoogd bij gebruik van acenocoumarol of fenprocoumon (en warfarine). De INR wordt NIET hoger bij gebruik van plaatjesremmers of nieuwe antistollingsmiddelen.

Meetmethode

Traditioneel wordt de INR bepaald in het laboratorium na bloedafname via een venapunctie. Sinds enkele jaren wordt bij een aantal bij CAT aangesloten trombosediensten de INR gemeten via de Point of Care Methode; de vingerprik. Voor de patiënt is het een prettiger manier van bloedafname. Bovendien waarderen patiënten het feit dat ze direct de uitslag krijgen.

Therapeutisch

Gebied Bij de meeste antistollingspatiënten wordt “gemikt” op een INR tussen de 2,0 en 3,0. Dit geldt o.a. voor de indicaties van de antistollingsbehandeling atriumfibrilleren, veneuze trombo-embolie en sommige kunstkleppen van het hart. Voor andere, veelal mechanische kunstkleppen van het hart en overige hart- of arteriële indicaties wordt gekozen voor een iets hoger therapeutisch gebied: 2,5-3,5. Op de achterkant van het aanmeldformulier van de trombosedienst staan alle indicaties vermeld. Daar is te vinden in welke (intensiteits)groep de betreffende indicatie valt:

(Intensiteits)groep 1 ( of L = laag) : Therapeutisch gebied 2,0-3,0
(Intensiteits)groep 2 ( of N = normaal): Therapeutisch gebied 2,5-3,5.

De voorschrijvend medisch specialist bepaalt in welk therapeutisch gebied de INR van de patiënt moet zijn voor een optimale antistolling. Hij/zij geeft dit aan op het aanmeldformulier van de trombosedienst. De trombosedienst en de patiënt brengen de INR binnen het gewenste therapeutische gebied door de periodieke INR controle en aanpassingen van het aantal tabletten acenocoumarol/fenprocoumon.

Controle frequentie

In het begin van de behandeling wordt de INR frequent gecontroleerd: 2-3 x per week. Als de patiënt goed is ingesteld wordt de frequentie langzaam verlaagd tot minimaal 1 controle per 6 weken. Bij ziekte, medicijnveranderingen of INR-schommelingen worden patiënten vaker gecontroleerd: bijv. 1 x per 3 dagen of 1 x per week.